vrijdag 25 juni 2010

De kellner en de levenden (fragment)

Terwijl Martha Scheiberlich beneden haar waanzinnige vriendin door een stadsbeeld vol waanzin voorthielp, - want thans sloegen de witte gedaanten als damp van de straatstenen af en verduisterden de éne lantaren, die van de gracht iets meer wilde maken dan een roofhol, - wandelde Martha Scheiberlich boven een goedbezochte schoolklas binnen, waar Van Schaerbeek in korte broek en Aagje in een aardig hobbezakje vlak naast elkaar zaten te schrijven tussen de andere kleinen. Zij proefde de weerzin tegen de les die zij geven moest. Werden zij ooit wijzer, die kleuters? Van Schaerbeek geloofde nog in God, en Aagje geloofde in Van Schaerbeek; zij zou hun zeer lage cijfers moeten geven. En daar zat de jongen met het waterspuitje, het zoveeldelige pronkstuk van de kleine regenmaker? De ene straal te breken in duizend andere, heel fijn en nauwkeurig: duizend kinderen, zóveel, dat het onbegonnen werk zou zijn er éen van weg te aborteren. O, die domme kinderen toch, daar zaten zij met hun zakken vol ondeugende geheimen en raadselen des levens; wat moest men daarmee aanvangen? Plotseling begreep zij, dat men de kleuters ook kwellen kon. Zij zette haar bril af om de kwellingen in het groot te kunnen zien. Zij stak de hand uit en kneep een kind in het armpje. Heerlijk was dat; de blauwe plek voelde men onder de druk der vingers ontstaan, men werd zelf helemaal blauw van binnen, van een ongelofelijk stralende reinheid. Langzaam door de klas warend, neerkijkend langs haar lange, spitse neus, dat akelige ding, dat altijd de zuiverheid van haar gezichtsveld bedreigd had, deed zij als een kordate dokteres greep na greep in de zenuwen der kinderen, kneep, beet, mepte, krabde, stompte en braadde er een paar op een klein oventje in de hoek van het lokaal, in de brand, uit de brand. Het gegil was fraai oorverdovend, de blauwe zaligheid was bezig paarsachtig te worden. Waarom niet wit? Zuiver wit? Eindelijk bleven alleen Van Schaerbeek en Aagje over, met de tong in de mondhoek bezig hun dwaas geloof uit te schrijven. Zou zij Van Schaerbeek de billetjes ontbloten? Zou zij Aagje in dampende visrnoten snijden? Hoe bij de lokkende en verlossende witheid te komen, nu het blauw al paarser en roder werd? En daar daalde zij al weer. Het had immers maar een paar seconden mogen duren. Daar daalde zij, met de verlossing in zicht. Maar nog wist zij, al dalende, dat de Martha boven in alle nederigheid op de vloer was gaan liggen, als een werkster, en dat Van Schaerbeek en Aagje met trippelvoetjes over haar heenliepen naar de speelplaats, waar gedanst werd op de maat van de witte muziek der sferen, alle engelen wit en tokkelend aan teorben hangend: dag Willem, dag Aagje, dag Martha, dag Tjalko, dag profeet der witte volle kranten, reik de geraamtehandjes maar aan elkaar en wees niet bang voor de boze onderwijzeres, die mee moest doen, omdat het grote wat zij zag altijd te klein was; kijk, daar is dominee ook, en Richard Haack, een knappe vent, ik mag hem nog éenmaal voor de gek houden, - en allemaal dansen als lammeren op de wei, en wie vloekwoorden zegt mag in het midden staan.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten